Onderstaand artikel verscheen in Schooldomein, januari 2007

Thema: ‘Concrete vernieuwde inrichtingsconcepten’

Deelnemers Expertmeeting:
Alex Buma, directeur Sedus, Capelle a/d IJssel
Gerard Fränzel, adviseur ICSadviseurs
Hanneke Kamphuis, adviseur Werkwijs.eu
Hans Luyendijk, rector Montessori Lyceum Rotterdam
Jos Martens, marketing en saels manager Marko, De Meern
Jacques Mol, adjunct directeur Valstar Simonis, Rijswijk
Ronald Snaterse, locatiedirecteur Maartens College, Haren
Erick Wuestman, interieurarchitect Vaxa
Sibo Arbeek, ICSadviseurs (gespreksleider)

Vele smaken onder één dak

Hoe faciliteren we de moderne ‘homo zappiens’ die vier dingen tegelijk kan? Waardoor worden de ‘screenagers’ van de toekomst getriggerd? Voelen leerlingen zich over twintig jaar nog thuis in de kleurrijke omgevingen die we vandaag de dag maken? En passen onze klimaatinstallaties wel bij de techniek van morgen of hebben we dan misschien beeldschermen die kou uitstralen in plaats van warmte? Het waren weer interessante vraagstukken die op tafel kwamen in de Expertmeeting voor Schooldomein. Dit keer was het thema ‘concrete vernieuwde inrichtingsconcepten.’

Ronald Snaterse wil de andere experts een case uit zijn eigen praktijk voorleggen. Hij staat aan de vooravond van nieuwe huisvesting in een bestaand gebouw en vraagt zich allereerst af waar dit proces begint. “In een vorig nieuwbouwproject waar ik bij betrokken was, kwam de vraag over het onderwijskundige concept pas aan het eind, terwijl het daar wat mij betreft mee moet beginnen. En niet met kosten-batenanalyses.”

Instemmend geknik van Hans Luyendijk. Hij herkent dat wel. “Onderwijsmensen zijn idealisten. Het concept is de hoofdader van je onderwijs. In mijn systeem zit ook ingebakken dat een school geen leerplaats moet zijn, maar een leefplek. Wij zijn heel erg een familieschool, een rode, warme school, waar iedereen zich thuisvoelt. Hoe je dat gaat betalen komt op de tweede plaats.”

Inspiratie
Het kostenplaatje is wel vaak de hobbel waar nieuwbouw op vastloopt, ervaart Erick Wuestman. Onderwijsmensen schieten al snel in de stuip van ‘wat kost dat allemaal wel niet’. “Daarin schuilt het vooroordeel dat alles wat afwijkt van de standaard onbetaalbaar is. Dat werkt remmend. Jammer, want als je de exploitatie erbij betrekt, ontstaat er ruimte om goede dingen te doen.”

Dat onderwijsconcept moet uiteindelijk leiden tot een concreet gebouw met bijbehorende inrichting. In dat proces beïnvloeden concept en inrichting elkaar, meent Hanneke Kamphuis. “Je vertaalt het onderwijsconcept eerst naar activiteiten. Daarna bespreek je met het team wat voor school en welke inrichting daarbij horen. De concrete voorstellen die daaruit rollen koppel je weer terug naar het abstracte denken over het concept. Zo beïnvloeden die twee elkaar.”

Het activiteitengericht denken van Kamphuis spreekt ook Alex Buma aan. Hij vindt het daarbij jammer dat er soms te functioneel gedacht wordt en te weinig in termen van inspiratie. “Soms weet je welke activiteiten je in een bepaalde ruimte wilt, maar is die ruimte daarvoor te  saai. Ik krijg meteen een warm gevoel bij de rode school van Luyendijk. Zo’n sfeer kun je in bepaalde ruimtes tot uitdrukking brengen, zodat mensen geïnspireerd raken.”

Sexy
Terug naar de casus van Snaterse. Zijn school is eigenlijk zeven scholen in één. Naast havo en vwo biedt het gebouw onder andere onderdak aan vmbo en een internationale school. Hij is op zoek naar een manier om al deze scholen met hun eigen type onderwijs een identiteit te geven, met behulp van kleur, sfeer en inrichting. De school wil ook teamgericht gaan werken. “We willen de teams laten terugkomen in het gebouw en teams en leerlingen een eigen plek geven. Ze hoeven dan niet steeds weer het gebouw door te sjouwen. We bekijken nu welk team waar kan zitten en bespreken dan met de teams hoe we dat verder gaan invullen. Dat moet wel realiseerbaar zijn in ons bestaande gebouw uit de jaren zestig.”

Dat wordt nog een hele puzzel. Zeker met het gegeven dat de docenten vasthouden aan één school, met hun eigen sectiekamers. De plannen van Snaterse doen nogal wat stof opwaaien onder zijn docentenkorps. Wuestman draagt een oplossing aan: “Zorg dan voor sexy ruimtes in plaats van sectieruimtes.”

Sibo Arbeek wil de casus ook van een andere kant bekijken, namelijk vanuit het oogpunt van technische installaties. Een goed klimaat in de school is een factor die vaak wordt vergeten. Lastig daarbij is dat installaties vaak veel langer meegaan dan een inrichtingsconcept. Wat kan een ingenieur met zo’n situatie in een bestaand gebouw? Jacques Mol zoekt de oplossing in multifunctionaliteit. “Wij vinden het belangrijk om flexibiliteit aan te brengen, door meer functies in een ruimte mogelijk te maken. Een leerconcept gaat tien jaar mee, een gebouw veertig jaar, dat is het spel dat wij spelen.” Daarbij komen zaken als onderhoud, beheer en energie kijken. “Als je kijkt naar bestaande gebouwen en energiekosten zijn er slimme trucs te verzinnen. Bijvoorbeeld door in een bestaand gebouw buitenruimtes te overkappen, waardoor het binnen wordt en je problemen van isolatie kunt oplossen.”

In de discussie valt even het woord duurzaamheid. Dat leidt meteen tot begripsverwarring. Wuestman: “Een prettig binnenklimaat is nog geen duurzaam gebouw. Het is pas duurzaam als het leidt tot energiebesparingen.”

Extreem
Zo is er in korte tijd al heel wat aangestipt: het onderwijsconcept, flexibiliteit, activiteitengericht denken, inrichting, sfeer, klimaat, energiebesparing: al die zaken moeten bij nieuwe huisvesting samen deel uitmaken van één integraal concept. Gerard Fränzel ziet hierin twee componenten: een harde en zachte kant. Hard in de zin van installaties, logistiek, catering, entrees. “In deze facetten zit je hele bedrijfsvoering verweven. Dit is de organisatie achter je onderwijskundige doelen. Die geeft structuur aan je concept en houvast. Naast die harde kant moet er ruimte zijn voor verbeelding: bijzondere plekken die passen bij het DNA van een school. Je hebt hierbij wel hulptroepen van buiten nodig om de boel op te schudden.”

Moet verbeelding – sfeer, kleur, warmte – geen dwingender positie krijgen in het proces, vraagt Arbeek zich af. Buma vindt van wel. Hij adviseert te zorgen voor ruimtes die de zintuigen prikkelen en inspirerend werken. “Doe maar eens gek! Extreem hoeft niet de wereld te kosten. Maak een wand eens rond of kies een afwijkende kleur. Dát is leidend, het stimuleert het denken over een andere onderwijsvisie.”

Kamphuis vindt dat te ver gaan en ook Jos Martens kijkt er wat genuanceerder tegenaan. Het onderwijsconcept is het uitgangspunt. Dat moet leiden tot een functiegerelateerde omgeving. “Als de functie iets extreems vraagt, ok. Maar je moet eerst kijken wat de school wil, welke mogelijkheden het gebouw biedt, en of het docentenkorps meekan. Maak het ook visueel, dan gaat het meer leven en kunnen docenten beter aangeven wat ze wel of niet willen. Vervolgens kan de school op zoek gaan naar functiegerelateerde oplossingen.”


Leerlingenperspectief
Luyendijk schudt ondertussen van nee. Hij kan zich niet vinden in dit jargon. “Ik mis het pedagogische domein in dit gesprek. Na een verbouwing van ons schoolgebouw in 2000 sprak ik trotse openingswoorden over transparantie. Maar veel leerlingen hoorde ik zeggen dat ze zich er niet meer thuis voelden. Ik vraag me af in hoeverre bedenkers achter de tafels voorbij schieten aan het leerlingperspectief. De leerling en zijn gevoelswaarde moet centraal staan. Het werkt vaak niet als je het voor ze bedenkt.”

Martens merkt in zijn praktijk dat dit ook steeds vaker gebeurt: leerlingen worden betrokken bij de inrichtingsplannen, zeker op Montessorischolen, bijvoorbeeld op het IJburg College. “De beleving van de leerlingen betrekken we bij onze inrichtingsplannen.”

Als je die leerling centraal stelt, zorg dan voor kwaliteit en karakter, benadrukt Wuestman, die het onderwijsconcept UniC – leerlingen leren in kleine groepen in hun eigen tempo aan hun taken – vertaalde in inrichtingsconcepten. “Pas op voor generalisaties; dé leerling bestaat niet. Zorg voor meer smaken in huis, ongeacht de leervorm. Op de ene plek kun je rustig achter een pc werken, ergens anders kun je loungen, weer ergens anders is ruimte voor uitleg. Zorg dat je voldoende keus hebt en dat leerlingen kun energie kwijt kunnen.”

Fränzel schaart zich ook achter die diversiteit. Hij bespeurt een trend in onderwijsland om  verschillen onder leerlingen vaker te benoemen en te faciliteren. “Je ziet steeds meer diversiteit in aanbod op alle niveaus. Ik zie kleur, ronde vormen, respect voor het gebouw. Inrichtingen worden afwisselender, met diverse werkplekken en mogelijkheden voor ontmoeting.”

Spirituele waarde
Aan tafel zitten twee experts die jarenlange ervaring hebben met het inrichten van kantoren en hun focus nu richten op onderwijs. Zien zij parallellen? “Jazeker”, zegt Kamphuis. “In de kantooromgeving zorgde verandering in werken voor een verandering in inrichting. Dat zien we ook in onderwijsomgevingen, maar nog mondjesmaat. Er valt nog heel wat te winnen door activiteitgericht in te richten. De spirituele waarde – kleur, vormen – is wat mij betreft geen esthetisch doel op zich. De waarden functie, comfort en spiritualiteit zijn dienend aan het onderwijsconcept. Overigens zie ik dat – ondanks prachtige voorbeelden – het gros van de Nederlandse scholen nog traditioneel gericht is op klassikaal onderwijs.”

Dat laatste brengt Snaterse op het oude en nieuwe leren. Hij ziet een interessante beweging, waarin sommigen terugkomen op het nieuwe leren. “In de toekomst gaan we misschien wel weer terug naar de collegezalen: kennis erin stampen en je diploma halen. Ik stel het wat zwartwit, maar ik voel dat we qua huisvesting weer een stapje terug doen.”

Kamphuis zou dit niet willen propageren. Elke school zit volgens haar ergens op de bandbreedte tussen innovatief en traditioneel. “Op basis van die plek ga ik ontwerpen. Ook als een school niet heel erg innovatief is, valt er al veel te verbeteren door eens af te stappen van de individuele leerlingset.”

Ook Martens gelooft niet dat we weer teruggaan naar het traditionele leren. Niet alle innovatieve onderwijsvormen redden het, maar ontwikkeling blijft er wel. “Wat werkt is voor iedere school anders, er is geen blauwdruk. Maar het onderwijs wordt nooit meer zoals het was.”

< terug naar artikeloverzicht