Onderstaand artikel verschijnt in 2005 in het oktobernummer van onderwijsmaandblad “Profiel”.
Door Ellis Andriessen.
Nieuwe en steeds veranderende opvattingen over onderwijs doen een groot appèl op de flexibiliteit en creativiteit van onderwijsmensen. Bij het vormgeven van het nieuwe onderwijs zijn ze sterk afhankelijk van huisvesting en faciliteiten. Welke eisen moet je stellen aan gebouw en inrichting om nieuwe onderwijsconcepten te kunnen realiseren?
In het beroepsonderwijs loopt de invoering van competentiegericht leren parallel met aanpassingen aan gebouwen die het nieuwe onderwijs mogelijk moeten maken. Interieurarchitect Erick Wuestman (VAXA.nl) begeleidde dat proces in enkele vmbo-scholen. Ook was hij nauw betrokken bij de inrichting van UniC, een nieuwe middelbare school in Utrecht. In zijn visie is zo’n ontwerptraject een essentieel onderdeel van de omvorming van het onderwijs. Hij ziet zich dan ook niet als een “plat interieurarchitect’, maar meer als adviseur in het creëren van stimulerende werkomgevingen, in het bieden van ‘ruimte voor groei’. “Je moet voeling krijgen met wat een organisatie is en wil en dat is vaak niet gering. Je krijgt te maken met een grabbelton van wensen, eisen, normen, budgetten. Er is vaak een enorme versnippering van allemaal aparte routes die naast elkaar bestaan. In zo’n herinrichtingsplan zie je dan allemaal wagonnetjes achter elkaar rijden. Ik zie het als mijn rol die chaos tot een samenhangend geheel te brengen. In het creatieproces naar het nieuwe leren kan ik dingen visualiseren, daarop feedback vragen en dan weer iets doen met de reacties. Ik kan laten zien hoe gebouw en inrichting een andere manier van werken mogelijk kan maken. Zo gebruik ik het proces om het nieuwe leren te implementeren. En dan gaat het om veel meer dan mooie plaatjes maken.“
‘OPLAPPEN’
Erick Wuestman noemt dit creatieproces ‘oplappen’: “De O staat voor de Organisatie, de P voor Plekken benoemen, de L voor Landing sites (wat is functioneel nodig om het werk te kunnen doen), de A voor Architectuur (het gevoel voor beelden inbrengen), de P voor Programma van eisen, de andere P voor het toevoegen van Productie (wat moet het kunnen), de E voor Eureka (zo gaan we ’t doen!) en de N voor Nieuwe situatie. “Dit traject ga ik tegelijkertijd in met de verschillende partijen en hun trajecten. Zo kun je op alle fronten een vinger aan de pols houden en samenhang brengen. Hoe dieper je met elkaar in de materie komt, hoe meer voortschrijdend inzicht er ontstaat. Mijn overkoepelend principe is dan ook: uitstel van oordeel! Dat is iets wat bijna niemand kan. In de bouw is bijna alles ver van te voren vastgesteld. Dat is jammer, want dan negeer je de nieuwe inzichten die tijdens het proces ontstaan. Oordelen worden vaak bepaald door ‘gisteren’, niet door de toekomst. Daarom moet je zo lang mogelijk keuzes kunnen maken. In het proces bij UniC heb ik met de medewerkers een belangrijk bewustwordingsproces doorgemaakt. De remmende factor bij docenten is niet dat ze kwaad willen, maar dat ze in oude patronen zitten. Ik heb er lol in anderen mee te laten emanciperen naar het nieuwe onderwijs. Ik wil mensen wakker schudden en laten inzien dat de eigen beelden niet altijd zaligmakend zijn. Dat vraagt om tijd, reflectie, de bereidheid om van gedachten te veranderen en naar concrete winsten te kunnen kijken. Die groei naar wat wenselijk en haalbaar is, wordt dan een creatief proces.”
Beleving
Volgens Erick Wuestman is er maar één standaardantwoord op de vraag hoe je een onderwijsconcept gestalte geeft in de inrichting van een gebouw: “Maak een ZAP-gebouw, waarbij de Z staat voor Zoogdiervriendelijk (er moeten mensen samenleven in een gezonde atmosfeer), de A voor Adaptief (aan te passen aan de wensen van het moment) en de P voor Pluriformiteit (een veelheid aan ‘verrassingen’). Een gebouw moet een beleving zijn en zo flexibel dat het mee kan in de toekomst. De ZAP-formule kan op allerlei manieren tot uiting komen. Praktisch betekent het dat je een team meehelpt met het snappen en kennen van het gebouw. Bij UniC heeft dat geleid tot een activiteitengerelateerde werkomgeving, een metafoor van een stad met plekken voor specifieke activiteiten waar de leerlingen volgens een soort meester-gezel principe kunnen werken. Hier zijn onderwijsvisie en inrichting niet meer los van elkaar te zien. “
Onderwijsomgeving
Een aantal vmbo’s en roc’s heeft de mogelijkheid hun onderwijsconcept in nieuwbouw gestalte te geven. In veel gevallen is nieuwbouw een belangrijke katalysator voor onderwijsvernieuwing. Dat ervaart ook architect Jan Dekker (AGS Architecten & Planners) bij het ontwerpen van een onderwijsomgeving voor roc’s als ROC Nijmegen, het Horizon College in Alkmaar, het Deltion College in Zwolle, het Leeuwenborghcollege in Maastricht en voor de faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Radboud Universiteit in Nijmegen. “Je ziet een tendens in het beroepsonderwijs naar ‘laten zien wat je doet’. Dat betekent dat je het onderwijs in de etalage moet zetten, transparant moet maken. In onze filosofie zetten we dan ook geen ‘gebouw’ neer, maar creëren we een omgeving, een ‘onderwijswereld’ waarin leerlingen en docenten elkaar kunnen ontmoeten, elkaar zien werken. Door te praten met onderwijsmedewerkers en je te verplaatsen in de leefwereld van zestien- en zeventienjarigen ontstaat er een beeld van een gemeenschap waarin mensen leven, leren en werken. Vergelijk het met een levendig plein als het Vrijthof in Maastricht. Bij ROC Nijmegen heeft dat beeld geleid tot het ontwerp van een overdekt binnenplein met winkels, voorzieningen en horecagelegenheden waar leerlingen in een veilige situatie praktijkervaring op kunnen doen. Hier kunnen ze de flair ontwikkelen die ze later in de maatschappij nodig hebben. Op het plein treffen ze elkaar en van daaruit trekken ze hun eigen ‘onderwijsgebouw’ in, waar ze individueel en in groepen aan het werk kunnen.”
Interactief proces
Zo’n andere manier van kijken naar een onderwijsomgeving vraagt heel wat van programma’s van eisen en budgetten. Trudy Eekhout, directeur van de sector Zorg en Welzijn van ROC Nijmegen, heeft het proces vanaf het begin meegemaakt. Haar sector zal eind 2007 samen met de sector Economie de nieuwbouw betrekken. “Voordat we een architect selecteerden, zijn we met verschillende groepen in verschillende samenstellingen bij elkaar geweest om te praten over onze ideeën over nieuwbouw en het nieuwe onderwijs. Dat leidde tot een programma van eisen dat door al dat gepraat zo gedetailleerd was geworden dat de vernieuwing er nauwelijks in terug te vinden was. Je zag toch een tendens te neigen naar het oude, naar het denken in hokjes. Met de komst van de architect kwam het vuur en de creativiteit weer terug. Hij hielp ons anders te kijken en traditionele denkkaders te doorbreken. We werden uitgedaagd onze onderwijsvisie naar voren te brengen en daarbij beelden op te roepen. Hij stimuleerde dat door te tekenen, te vertellen en voorbeelden te laten zien.”
Jan Dekker ziet zijn rol in dit proces nadrukkelijk als creatief stimulator: “Ik probeer de wereld langzaam maar zeker vorm te geven door de mogelijkheid te bieden om te dromen over hoe het moet zijn na drie jaar en hoe een gebouw daarin past. Al pratend en ontwerpend ontstaan ruimtes die passen bij het nieuwe onderwijs. Dat samenspel, dat interactieve proces is een belangrijke taak van de architect. Wij gaan met iedereen in discussie over de beeldvorming en over de filosofie op bouwen. En dat resulteert in dit geval dan in een overdekt plein met bruggen die de gebouwen met elkaar verbinden. Een bruisende bijenkorf! Heerlijk! Het hele nieuwe leren zit er in.”
Flexibiliteit
De nieuwe onderwijsomgeving biedt ROC Nijmegen alle mogelijkheden zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen. Die flexibiliteit is ingebouwd. “ Ik denk dat er in de loop van de tijd steeds meer interactie tussen de opleidingen zal plaatsvinden”, zegt Trudy Eekhout. “Denk bijvoorbeeld aan een talenlab over de opleidingen heen, of aan een overlap tussen delen van opleidingen. Je kunt van alles bedenken om de samenwerking intensiever te maken. De gebouwenstructuur is zo ontworpen dat dat ook kán. Het gebouw stimuleert je enorm om bij elkaar te gaan kijken.” Die optimale mogelijkheid elkaar te ontmoeten is volgens Jan Dekker de essentie van een onderwijsomgeving: ‘Je raakt met elkaar in gesprek, je ziet elkaar werken, er is interactie mogelijk, je inspireert elkaar. Door zichtbaar te maken wat je doet, stimuleer je de ander. Zo’n ‘onderwijsdorp’ is een verlengde van de samenleving waarin praktijkleren en competentiegericht leren vanzelfsprekend worden. In een strakke gebouwenstructuur met gangetjes en hokjes heb je die mogelijkheid niet. Er is zoveel wat je met en onderwijsomgeving kunt doen. Degenen die er gebruik van maken, moeten zich er in alle opzichten happy voelen.”
Trudy Eekhout is ervan overtuigd dat de nieuwbouw het ‘willen’ vormgeven van het nieuwe onderwijs zal stimuleren. “Zeker nu de teams nauw betrokken zullen worden bij de inrichting van hun ruimtes. Elke sector kan dan de eigen sfeer er in brengen. Bovendien zijn alle randvoorwaarden aanwezig om de onderwijsvernieuwing gestalte te geven: praktijkleren, docentonanfhankelijk en op maat leren, zelfstandig werken, maar ook groepswerk. Ik ben zo benieuwd hoe de teams er hun onderwijs mogelijk gaan maken.”
Innovatieproces
Het is duidelijk dat eigentijdse architecten en interieurarchitecten niet alleen ‘íets moois’ neerzetten, maar een belangrijke factor zijn in het innovatieproces van organisaties. Hun vermogen te denken en kijken in beelden helpt organisaties traditionele denkpatronen te doorbreken en de gewenste omgeving zichtbaar en voelbaar te maken. “Een architect richt zich daarbij op de grote lijnen, de interieurarchitect maakt de vertaalslag naar de menselijke maat”, stelt Erick Wuestman, “Beiden kunnen elkaar bevruchten. Nu rijden ze vaak nog als wagons achter elkaar aan. Het zou nog beter zijn als ze samen in een interactief proces naar de eindstreep zouden gaan. Dan krijg je een fundamenteel ander proces.”