Onderstaand artikel verscheen in Building Innovation, november 2006.
Samenleving, trends, vastgoedBRAINS & BRICKS
Een stel leerlingen, wat lesmateriaal, een lokaal en een leraar. Zo zat ons onderwijs tot voor kort in elkaar. Nu de technologie zijn plek opeist en de opvattingen over het stimuleren van leergedrag veranderen, staat de aloude onderwijsinstelling onder druk.
Al decennialang breken geleerden zich de kop over de toekomst van het onderwijs. Lessystemen wisselen elkaar met de regelmaat van de klok af. En nieuwe inzichten in politiek Den Haag vinden vrijwel altijd hun weerslag in de wijze waarop het onderwijs als mechanisme om kennis en vaardigheden over te brengen, vorm krijgt. Maar het schoolgebouw zelf stond eigenlijk amper ter discussie, of liever gezegd: architecten, ontwikkelaars en bouwers leverden wel ongeveer waar behoefte aan was, namelijk grote lesfabrieken met veel lokalen en een paar gemeenschappelijke ruimtes.
Die situatie zou wel eens drastisch kunnen veranderen. Nieuwe inzichten en lesmethodes vragen om nieuw vastgoed, om andere aanbestedingen en om gewijzigde bouwprocessen. Het klassieke school- of universiteitsgebouw zal voorlopig nog blijven bestaan en klassikaal onderwijs houdt ook nog wel even stand. Maar vooruitstrevende schoolbesturen, adviseurs, innovatieplatforms en projectontwikkelaars proberen elkaar te vinden om vraag en aanbod in toekomstige huisvesting beter af te stemmen.
1. Huidige situatie
De huisvesting van een reguliere onderwijsinstelling wordt betaald door de overheid. Bij het primair en voortgezet onderwijs is dat de taak van de gemeente (sinds 1997 gedecentraliseerd). De huisvesting voor ROC’s, HBO-instellingen en universiteiten wordt bekostigd door het Rijk. In beide trajecten hebben de besturen van de instelling veel vrijheid in opzet en inrichting van hun gebouw(en).
In de onderwijsmethodiek is een kentering gekomen. In verreweg de meeste scholen werd altijd sterk aanbodgericht lesgegeven (uitzonderingen vormen onderwijs-niches als Montessori, Vrije, Dalton en Jenaplan Scholen). Meer en meer stappen tegenwoordig ook tradtionelere scholen over op vraaggestuurd onderwijs: de leraar die lesgeeft sterft langzaam uit, in opkomst is de begeleider die de leerlingen ondersteunt in het zich eigen maken van kennis en vaardigheden. Het gaat niet meer uitsluitend om overdracht van kennis, maar vooral ook om het delen ervan, in groepen, in netwerken en via uiteenlopende kanalen.
Logisch dat het klaslokaal in die context een anachronisme is. Waar meer behoefte aan is, is een stimulerende leeromgeving waar leerlingen aan hun talenten kunnen werken, solo of samen met anderen. Termen als leerateliers, leerdomeinen en learning communities verschijnen steeds vaker in de programma’s van eisen. De school moet een verdeelstation (hub) zijn waarbinnen theorie en praktijk samengaan. In vastgoedtermen: de school moet multifunctionele accommodaties bieden die eenvoudig te transformeren zijn (à la minute, maar ook op de lange termijn, mochten de inzichten en behoeften wijzigen). Meer dynamiek en flexibiliteit dus.
Tegelijkertijd is het nodig om buiten het schoolniveau te treden. De integrale wijkaanpak vraagt om een inbedding van het schoolconcept in de buurt. De zogenaamde ‘brede school’ zou dan ook faciliteiten voor peuters, naschoolse opvang, de bibliotheek en bijvoorbeeld sport moeten bevatten. Het meervoudig gebruik van ruimtes en voorzieningen past hier prima in. En nog verder gedacht: schoolwoningen - woningen in of aan de school - zijn geen noviteit meer.
2. Problemen
Het faciliteren van het ‘nieuwe leren’ is veel meer dan tussenwandjes verplaatsen en wat toeters en bellen aanbrengen. Nieuwe leeromgevingen zouden meer een spiegel van de buitenomgeving moeten zijn, waar je zowel de drukte van een stadskern als de rust van een mooi landschap kunt vinden en waar veel sociale interactie is. Je kunt een werkplaats nabootsen, maar misschien is een echte garage in de school veel praktischer. Kortom: de nieuwe inzichten grijpen diep in op de bekende aanpak van het ontwikkel- en bouwproces.
Bouwprocessen in het onderwijs duren lang en zijn snel aan het budgettaire plafond: planning, ontwerp, financiering, ontwikkeling, realisatie kosten vele jaren. Dat creëert een lastige situatie: de onderwijskundige visie verandert sneller dan de levensduur van een gebouw. In die context moet dus ook nog eens een gebouw geleverd worden dat flexibel aanpasbaar is en geschikt voor meervoudig gebruik.
Dat vergt een goede samenwerking tussen schoolbestuur, gemeente, ontwikkelaar en bouwer. Knap lastig als de belangen uiteenlopen en men elkaar niet zo goed verstaat, en als het beeld van toekomstige wensen niet helder is. Bovendien is het de vraag of de ideeën over bijvoorbeeld een integrale wijkaanpak stroken met de wensen van de schoolleiding (en vice versa).
Aan de zijlijn spelen aspecten mee die indirect van invloed zijn op de toekomst van de school. Machtige uitgevers houden krampachtig vast aan traditionele dragers voor informatieoverdracht, het boek. Onderwijs opgezet als bijvoorbeeld een computergame zou andere lesmethodieken - en andere huisvesting - vereisen.
Tot slot is er de strijd om de gunst van de leerling. Hoe meer leerlingen, des te meer geld. Met andere woorden: steeds meer schoolbesturen ontdekken marketing en zetten hun school in het wervingsproces in. Het kan tot een situaite leiden waarin architectuur en design - de stenen verleiders - het winnen van functionaliteit en toekomstgerichtheid.
3. Oplossingen
Dat samenwerking vereist is om succesvol toekomstgericht te kunnen bouwen is een open deur. Helaas wordt die onvoldoende ingetrapt. Maar er zijn enkele interessante initiatieven ontplooid waarin naar andere verhoudingen gezocht wordt in de relatie tussen vrager en aanbieder.
De mogelijkheden van de publiek-private samenwerking zijn voor het eerst in Nederland in een onderwijsinstelling getest: in het Haagse Ypenburg is onlangs het Montaigne Lyceum geopend dat volgens de DBFM-principes (Design, Build, Finance & Maintain) is gerealiseerd. De meningen over het succes zijn verdeeld - de totstandkoming heeft veel energie en tijd gekost - maar volgens een onderzoek van Ernst & Young is er zowel van kwalitatieve als van financiële meerwaarde sprake. Bovendien kan de schoolleiding zich op de kerntaken concentreren: er is voor 30 jaar een kwaliteitsniveau contractueel vastgelegd waarin de door de schoolleiding gewenste flexibiliteit is opgenomen (voor het interieur en voor eventuele aan- of nieuwbouw). Ook elders in Nederland ontstaan momenteel initiatieven om een PPS op te zetten.
In Veenendaal wordt binnenkort gestart met de realisatie van een ROC volgens de principes van het Living Building Concept. Dat is een door PSI Bouw ontwikkelde visie op anders werken in de bouw. Verandering is hier het uitgangspunt. Opdrachtgever (schoolleiding) en opdrachtnemer (een consortium van marktpartijen) trekken samen op, de school is een soort perpetuum mobile dat binnen de overeenkomst wordt onderhouden en desgewenst aangepast. Doel van deze bouwprocesinnovatie is om de afstand tussen gebruiker en producent zo klein mogelijk te houden. In 2008 opent ROC Veenendaal zijn deuren.
Ook in andere settings wordt gezocht naar nieuwe samenwerkingsvormen. Corporaties roeren zich bij het opzetten van een brede school, en op veel terreinen wordt geprobeerd de link tussen onderwijs en praktijk te verstevigen. Het nieuwe theater dat Van den Ende aan de Zuidas gaat opzetten zal nauwe banden met het aangrenzende ROC aangaan, het Amsterdamse College Hotel blijkt de ideale opleidingsvloer voor toekomstige hoteliers. Hoe het onderwijs er over 30 jaar zal uitzien, weet niemand. Misschien is het niet meer nodig en kunnen we iedereen via virtuele werelden en toegangspoorten ‘laden’ met de gewenste kennis. Feit is dat nu, anno 2006, het klaslokaal zijn langste tijd heeft gehad en dat de vastgoedsector een weg zoekt om aan de nieuwe behoeften van de onderwijssector te beantwoorden.
Kader: Reguliere onderwijsinstellingen in Nederland
Primair onderwijs (basisscholen) 7314
Speciaal onderwijs 324
Voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo) 668
Speciaal voortgezet onderwijs (o.m. ROC’s) 110
Hoger beroepsonderwijs 54
Wetenschappelijk onderwijs 13
Bron: CBS
DE ADVISEUR: ‘LIVING BUILDING CONCEPT BETER DAN PPS’
M3V is een adviesbureau, gespecialiseerd in onder meer onderwijshuisvesting. Harry Vedder is één van de oprichters: ‘De meeste schoolbesturen beseffen dat ze weinig van huisvesting weten. Toch hangt er veel af van de vertaling van hun primaire proces naar huisvesting. Bovendien moet de instelling toekomstbestendig zijn, daarom werken we met scenario’s op basis waarvan we een bouwkundig concept ontwikkelen. Ook in het managen van het bouwproces spelen wij een rol.’
Vraaggestuurd versus aanbodgericht
‘Flexibel bouwen is een enorme opgave. Wat we zoeken is huisvesting met kantoortuinachtige omgevingen met veel overlegruimtes, laboratoria, groepswerkruimtes en praktijkhoeken. Bij het beroepsonderwijs gaat dat nog verder: haal die garage of bakkerij maar naar binnen. De flexibiliteit die we zoeken heeft met omvang te maken - een leerdomein moet makkelijk uit te breiden of in te krimpen zijn - en met functionaliteit, bijvoorbeeld in de zin van meer of minder praktijkruimtes. De traditionele aannemerij kan daar niet goed mee omgaan. Die is nog erg aanbodgericht en reageert op een bestek met een aanbod om op moment x iets op te leveren; flexibiliteit moet de opdrachtgever zelf maar in zijn bestek oplossen.’
Dienstverlening gewenst
‘Wat nodig is, is een omkering zoals in het Living Building Concept: de bouwwereld moet een vraaggestuurde dienstensector worden. Voor het ROC-project in Veenendaal heeft M3V de vraagspecificatie, het prestatiebestek, ontwikkeld en de toekomstscenario’s beschreven op basis waarvan de deelnemende partijen konden inschrijven. Het mooie is dat niet de statische situatie het uitgangspunt is, maar de verandering. De opdrachtgever heeft in de ontwerp- en bouwfase, èn in de gebruiksfase een permanente plek. Voor de flexibiliteit maak je dus de leverancier mede verantwoordelijk. Het gevolg is dat aanbieders zich op een hoger niveau commiteren. Je moet vooraf op hoofdlijnen de risico’s berekenen, de opdrachtgever betaalt daar op voorhand voor.’
Wantrouwen wordt vertrouwen
‘De essentie is dat de relatie op basis van wantrouwen er een van vertrouwen wordt. Kijk naar de autoindustrie: als je een auto bestelt ga je niet in een bestek zetten wat er allemaal in moet. Je vertrouwt erop dat het goed komt. Zo’n omkering krijg je niet zonder slag of stoot voor elkaar in de bouwwereld, maar deze bouwprocesinnovatie wordt
DE CREATIEF: ‘TEVEEL VERKAVELING’
Activiteitengerelateerd denken
‘Ik kom veel miskleunen tegen. Dat er bijvoorbeeld op het laatste moment in de bouwtekening wat gangen zijn weggehaald om toch maar aan de eisen van leerdomeinen te kunnen voldoen. Het blijkt dat veel schoolbesturen ofwel niet echt met de huisvesting bezig zijn of er gewoon geen verstand van hebben. Ik probeer ze mee te krijgen in activiteitengerelateerd denken. Dus dat je leerlingen niet bij elkaar zet om Engels of Frans te krijgen, maar dat je de activiteit - lezen, communiceren, groepswerk - als uitgangspunt neemt. Dan kun je flexibel met de inrichting van je gebouw spelen.’
Op zoek naar synergie
‘Ik zou willen dat er meer begrip voor elkaars expertise komt, dat partijen constructief willen en gaan samenwerken. Dan slaag je er ook in om meervoudig ruimtegebruik werkelijk vorm te geven. Want eerlijk gezegd, de term ‘brede school’ valt wel vaak, maar echt soepeltjes loopt dit nog niet. Iedere gebruiker van zo’n school - onderwijs, bibliotheek, restaurant, disco - kruipt toch weer snel in zijn eigen harnas en blijft op zijn eigen ding zitten. Daarin zijn nog heel veel stappen te zetten. Ik heb het gevoel dat ik mezelf geregeld afrem in mijn ideeën, ik probeer heel normale en alledaagse wensen op tafel te leggen en niet zo’n hoogvlieger te zijn. En nog raak ik drie keer per week teleurgesteld dat ik denk ‘zonde dat we die kans hebben laten lopen’. Dat zit ‘m voor een deel in het feit dat die autonome processen heel erg verkaveld zijn, terwijl je voor dit soort processen echt synergie nodig hebt.’
Creatieve mafkezen
‘Waar dringend behoefte aan is, zijn mensen die dat kunnen vlottrekken. Een paar mafkezen, zoals Richard Florida ze noemt, die de boel op gang brengen. Ik probeer onder meer in works
DE ONTWIKKELAAR: ‘ELKAARS KRACHT BETER BENUTTEN’
Heijmans positioneert zich nadrukkelijk als fullservice dienstverlener in de onderwijsmarkt. Volgens Hans Wildeboer (Business Development Onderwijs), is dat niet alleen een faciliterende rol, maar vooral een meedenkende: ‘Helaas verlopen nog veel aanbestedingen via het reguliere traject. Maar in bijvoorbeeld Leerpark in Dordrecht gaan we innovatief om met de huisvesting van de onderwijsinstellingen, en kunnen we deze integreren in de omgeving en combineren met wijkfuncties. In Almere hebben we brede scholen ontwikkeld waarbij van multifunctionaliteit sprake is, waarbij het ruimtegebruik zeer efficiënt is, waarbij het beheer is uitbesteed en waarbij toegankelijke financieringsconstructies zijn ontwikkeld zodat ook externe beleggers mee kunnen doen.’
Integrale wijkaanpak
‘De rol voor een ontwikkelende partij als Heijmans is: die integrale wijkaanpak vormgeven, kijkend naar alle huisvestings- en functiebehoeftes. Onderwijs- en bijvoorbeeld zorginstellingen hebben dat wijkperspectief onvoldoende. Die zijn teveel met hun eigen activiteit bezig, terwijl wij zien dat je heel veel activiteiten kunt samenvoegen. Bij ROC’s is dat besef aanwezig, maar lager in het onderwijs is dat traditionele beeld veel hardnekkiger.’
Flexibiliteit in twee opzichten
‘Waar je tegenaan loopt als je praat met schoolbesturen, is dat de behoefte aan ruimte heel divers is. Er zijn grote ruimtes nodig, maar ook plekken voor individueel onderwijs. Dat is een tweede ontwikkeling, naast de genoemde multifunctionaliteit, waar we oplossingen voor moeten bedenken. Flexibiliteit betekent dat je binnen het schoolconcept moet kunnen wisselen, zo makkelijk mogelijk; om uit te vinden hoe je dat slim kunt doen, kijken we ook bijvoorbeeld naar filmstudio’s. Maar flexibiliteit betekent ook dat je een deel van de school - als bijvoorbeeld het leerlingenaantal terugloopt - moet kunnen ombouwen tot kantoor, woningen of zorgsteunpunt. In het eerste geval kijk je naar het type onderwijs, in het tweede geval naar de mogelijkheden van het gebouw.’
Constructief samenwerken
‘Wij willen met ideeën komen; over de huisvesting, de financiering, het beheer. Daarom zijn we ook heel blij met het Living Building Concept. Het positieve aan het project in Veenendaal is dat we afstappen van het traditionele model waarin er een gegoten ontwerp ligt waar stenen opgestapeld moeten worden, waar de sleutel in de deur gaat, en waar we vervolgens vertrekken. Er wordt hier veel meer gedacht vanuit de kracht van verschillende partijen en vanuit scenario’s voor de toekomst. Door dat een integraal onderdeel van je proces te maken, kun je constructief samenwerken en het bouwproces vernieuwen.’